Toggle Side Panel
Psychfysio
  • NIEUWS
  • E-LEARNING
  • CURSUSSEN
  • COMMUNITY
  • WIE WIJ ZIJN
    • Wie wij zijn
    • Docenten
    • Nieuwsbrief
    • Goed doen
More options
    Sign in
    • NIEUWS
    • E-LEARNING
    • CURSUSSEN
    • COMMUNITY
    • WIE WIJ ZIJN
      • Wie wij zijn
      • Docenten
      • Nieuwsbrief
    • Log In
    Close search
    Home » Burn-out bij sporters

    Burn-out bij sporters

    06/07/2007 | Peter Van Burken | burn-out, sporten
    Diagram van stress en burnout met factoren zoals eisen, cognitieve interpretatie, en copinggedrag
    Wanneer prestaties dalen en de sport zijn glans verliest: herken de signalen van atleet-burnout.

    Burn-out bij sporters lijkt op werkgerelateerde burn-out, maar kent unieke kenmerken: fysieke uitputting en devaluatie van de sport. Dit artikel bespreekt definities, meetinstrumenten zoals de ABQ en het stressmodel van Smith. Handvatten voor beoordeling en preventie komen aan bod.

    Burnout in de werksetting wordt gekenmerkt door een gevoel van ernstige emotionele uitputting, depersonalisatie (negatieve attitude naar cliënten), en incompetentie. Burnout is een syndroom. Dat wil zeggen een constellatie van symptomen die een conditie beschrijven die epidemiologisch relevant is. Bij sporter kan men soortgelijke symptomen tegenkomen. Maar er zijn ook verschillen. Zo is burnout in de werksetting oorspronkelijk toegeschreven aan emotionele uitputting door inadequate omgang met emotionele cliënten. Dit speelt binnen de sportsetting niet.

    Sportspecifieke definitie van burnout

    Raedeke (1997) heeft op dit moment de meest gangbare conceptualisatie van burnout bij sporters beschreven. De drie kenmerken van het syndroom zijn:

    • Langdurige emotionele en fysieke uitputting
    • Devaluatie van de sport
    • Verminderde prestaties

    De beschrijving is afgeleid van het werk van de belangrijke burnout onderzoeker Maslach (1981), maar nu toegepast op de sporter. Zo is bijvoorbeeld fysieke uitputting nadrukkelijk toegevoegd aan de emotionele uitputting. De devaluatie betreft nu niet de cliënt in de werksetting, maar de deelname aan sport. Twee andere benaderingen van burnout bij sporters zijn van Coakley (1992) die meer accent legt op sport drop-out na aanvankelijk enthousiasme. Hij schrijft dit onder andere toe aan de vele barrières die jonge sporters tegenkomen. Silva (1990) legt meer een nadruk op overtraining nadat een plateau in presteren behaald is. Deze overmatige en aanhoudende trainingsstress put dan de weerstand en vitaliteit uit.

    Het meten van atleet burnout

    De Maslach Burnout Schaal is daar niet geschikt voor omdat die ontwikkeld is voor een werksetting binnen de dienstverlening. Soms werd de lijst aangepast (MBI-GS) waarna hij beter toepasbaar werd voor de sport. De MBI-GS heeft 16 items en meet drie subschalen: professioneel disfunctioneren, cynisme en uitputting. Klinimetrisch werkt hij redelijk. De Eades Athletic Burnout Inventory (EABI, Eades, 1990) is een andere lijst. Hij bestaat uit 36 items en 6 subschalen. Theoretische en klinimetrisch is het echter geen sterke lijst. Raedeke ontwikkelde de Athlete Burnout Questionnaire (ABQ) in 1997. Deze bestaat uit 15 items en meet de bovenbeschreven 3 subschalen: langdurige emotionele en fysieke uitputting, devaluatie van sport, en verminderde prestaties. Klinimetrisch scoort hij redelijk en veelbelovend. De auteurs concluderen dat de ABQ de beste keuze is. (In tabel 28.1 geven de auteurs gemiddelde scores die op de ABQ gehaald werden).
    Het voorkomen van burnout onder sporters

    Lees verder:  Sporten verbetert pijn, stemming en functioneren bij fibromyalgie

    Er zijn op het moment van publiceren geen epidemiologische rapporten van burnout bij sporters. Het voorkomen is daarom meer gebaseerd op anekdotes en speculaties, dan op objectief onderzoek. Wat wel duidelijk is is dat het maar bij een kleine subgroep van sporters speelt. Wereldwijd kan dat natuurlijk toch een grote groep vormen.

    Theoretische basis ter verklaring van burnout bij sporters

    Een belangrijk verklaringsmodel komt van Smith (1986). In essentie stelt hij dat elke serieuze sporter aan stress zal blootstaan, maar ook dat deze stress erg afhankelijk zal zijn van:

    • De situationele eisen die gesteld worden (kampioenschappen) en de bronnen die er zijn (goed materiaal, talent, goed voorbereid).
    • Hoe de sporter deze eisen en bronnen interpreteert, dwz zijn eigen kijk daarop.
    • De fysiologische activatie (stressreactie) die ontstaat.
    • Uiteindelijk wordt het functioneren ook bepaald door de wijze van coping en taakgericht gedrag.

    Bij het burnout proces zijn dezelfde 4 elementen aanwezig, maar zijn ze veel negatiever ingekleurd (zie figuur). Smith haalt er ook de Social Exchange Theory (SET) bij om het terugtrekken uit de sport te verklaren: als op een gegeven moment de kosten van het sporten hoger zijn dan de baten en er is tegelijkertijd een gunstiger alternatief, dan verlaat men bij burnout de sport. Onderzoek ondersteund dit model in redelijke mate.

    Een ander model legt meer de nadruk op commitment. Sporters kunnen om verschillende redenen aan hun sport commited zijn, bijvoorbeeld om het plezier dat het geeft of om andere redenen. Burnout kan optreden als de sporter ontevreden is over de verhouding kosten/baten die de sport hem oplevert, terwijl hij tegelijkertijd erin gevangen zit omdat er bijvoorbeeld geen beter alternatief is (Schmidt (1991).
    Een laatste verklaringsmodel richt zich sterk op psychologische behoeften en motivatie. De Self-determination theory (SDT) van Ryan & Deci, (2000) stelt dat mensen een aangeboren basis behoefte hebben op:

    • autonomie,
    • competentie,
    • relatedness (menselijk contact en ergens bij horen).
    Lees verder:  Zowel teveel als te weinig bewegen correleert met slaapproblemen

    Kortom mensen willen zelf dingen bepalen, willen dat de dingen die ze ondernemen lukken en willen contact met anderen. Als dit aan een (sport)activiteit verbonden is dan ervaren we intrinsieke motivatie. Als dit in mindere mate speelt zal extrinsieke motivatie ontstaan of zelfs amotivatie. Deze laatste toestand lijkt op burnout. Burnout zal vanuit dit model sneller ontstaan als de sport niet voorziet in de bovengenoemde drie basisbehoeften. Daardoor is er geen intrinsieke motivatie en drijft de atleet alleen op extrinsieke motivatie. Dit is voor het ‘zelf’ relatief weinig voldoening schenkend. Er zijn aanwijzingen voor de juistheid van dit model, maar is ook meer onderzoek nodig.

    Bron:

    Eklund, R. C., Cresswell, S.L. (2007). Athlete burnout. Handbook of sportpsychology. G. Tenenbaum, Eklund, R.C. New Jersey, John Wiley & Son: 621-641. doi: 10.1002/9781118270011.ch28

    * Meld een spelfout of onjuistheid.

    [cboxarea id="cbox-mGd1up104o5z8UP8"]
    Peter Van Burken

    Peter Van Burken

    Psycholoog / ex-fysiotherapeut. Auteur van Gezondheidspsychologie voor de fysiotherapeut en het boek Mindfulness en Fysiotherapie. Initiator en docent Psychfysio opleidingen.

    Posts navigation

    ← Bekkenbodem training vermindert niet alleen de stress incontinentie, maar verbetert ook seksueel functioneren
    Vergeven gunstig voor gezondheid en pijn →

    Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

    Ontvang wekelijks een nieuwsbrief met drie samenvattingen op het gebied van fysiotherapie en het biopsychosociale model.

    Inschrijven
    Cursussen 2026
    • Contact
    • Cursussen
    • Nieuwsbrief
    • E-learning (blended)
    • Tijdschriften
    • Goed doen
    • Privacybeleid
    • AI versus mensenwerk
    • Disclaimer Psychfysio opleidingen
    • Algemene voorwaarden
    • Klachtenprocedure
    © 2026 - Psychfysio opleidingen