Niet elke patiënt met aanhoudende pijn is in dezelfde mate beperkt. Binnen wetenschappelijk onderzoek spreekt men van hoge-impact chronische pijn (HICP) als de pijn ernstig is en substantiële beperkingen geeft in werk, sociale- en zelfzorgactiviteiten, gedurende minstens zes maanden. De impact betreft zowel fysieke als psychosociale functies. Helaas zijn effectievere behandelopties nog onvoldoende ontwikkeld.
Beïnvloedbare factoren
De auteurs (Dokyoung e.a., 2025) van het artikel dat we hier bespreken, stellen dat zowel pijncatastroferen als pijn self-efficacy twee belangrijke beïnvloedbare factoren zijn bij aanhoudende pijn.
Catastroferen
Catastroferen rond pijn kenmerkt zich door een gevoel van hulpeloosheid, een verhoogde dreiging van pijn en piekeren over pijnsensaties. Catastroferen is geassocieerd met een slechtere uitkomst bij aanhoudende pijn. Bij hoge-impact chronische pijn wordt catastroferen vaker aangetroffen dan bij lage-impact chronische pijn.
Pijn self-efficacy
Pijn self-efficacy is het vertrouwen dat men heeft om effectief met pijn en bijkomende symptomen om te gaan en activiteiten te kunnen blijven uitvoeren ondanks pijn. Pijn self-efficacy is een veerkrachtfactor en voorspelt beter functioneren bij aanhoudende pijn. De mate waarin pijn self-efficacy aanwezig is bij hoge-impact chronische pijn is, in tegenstelling tot pijncatastroferen, nog niet onderzocht.
De effecten van fysiotherapie en multidisciplinaire programma’s op aanhoudende pijn verlopen vaak via het positief beïnvloeden van catastroferen en pijn self-efficacy.
De onderzoekers voerden een longitudinale observationele studie uit, waarin werd gekeken naar de associatie tussen de twee bovengenoemde copingfactoren en gezondheidsuitkomsten bij patiënten met en zonder hoge-impact chronische pijn.
Methode
De 259 deelnemers werden geworven in een tertiaire pijnkliniek. De inclusiecriteria bestonden uit het hebben van chronische pijn langer dan drie maanden. De leeftijd moest minimaal 18 jaar zijn.
De deelnemers werden bevraagd over diverse variabelen, waaronder de duur, intensiteit en locatie van de pijn en de behandelingen die zij hadden ondergaan.
De Graded Chronic Pain Scale Revised (GCPS-R) werd gebruikt om hoge-impact chronische pijn (wel/niet) te classificeren. De ernst van de chronische pijn werd vastgelegd met het derde item uit de GCPS-R.
Gezondheidsuitkomsten en functioneren rond pijn werden gemeten met PROMIS: beperkingen door pijn, fysiek functioneren, vermoeidheid, slaapstoornissen, depressie, angst, boosheid en sociale isolatie.
Catastroferen rond pijn werd gemeten met de Pain Catastrophizing Scale (PCS) en pijn self-efficacy met de Chronic Pain Self-Efficacy Scale (CPSS).
Resultaten
Bijna 60% van de deelnemers werd geclassificeerd als hoge-impact chronische pijn. Zoals verwacht had deze groep langer aanhoudende pijn, meer pijnlocaties en meer behandelingen gehad dan de groep met lage-impact chronische pijn.
De deelnemers in de hoge-impact chronische pijngroep scoorden hoger op pijncatastroferen en lager op pijn self-efficacy dan de deelnemers in de lage-impact chronische pijngroep. Bovendien functioneerden zij fysiek en sociaal slechter dan de lage-impact groep. Dit verschil was deels te verklaren door meer catastroferen rond pijn en minder pijn self-efficacy. Belangrijk is dat pijn self-efficacy een groter deel van de variantie in de verschillen in uitkomstmaten tussen beide groepen verklaarde dan pijncatastroferen.
Opmerking samenvatter
Van pijncatastroferen was al bekend dat patiënten met hoge-impact chronische pijn sterker catastroferen dan patiënten met lage-impact chronische pijn. Dit onderzoek laat zien dat hetzelfde geldt voor pijn self-efficacy. Bovendien toont het onderzoek dat beide copingfactoren de fysieke en psychosociale uitkomsten van patiënten mede bepalen, en dat pijn self-efficacy dus zeker aandacht verdient van de fysiotherapeut. Pijn self-efficacy kan bijvoorbeeld gemeten worden met de Pain Self-Efficacy Questionnaire (PSEQ).
Bandura, de grondlegger van self-efficacy, beschreef vier algemene categorieën waarmee self-efficacy beïnvloed kan worden:
- succeservaringen,
- leren door het observeren van anderen,
- verbale overreding,
- psychofysiologische toestand.
Succeservaringen
De patiënt moet ervaren dat hij ondanks de pijn toch succesvol bepaalde taken kan uitvoeren. Dat gebeurt vooral wanneer hij merkt dat zijn voorspellingen over pijn feitelijk te negatief waren en dat er dus meer mogelijk is dan hij of zij dacht. Een effectieve route daarvoor is graded exposure of exposure with control. Hierbij vraagt men de patiënt vooraf in te schatten of tillen en buigen veel pijn zal doen. Daarnaast vraagt men, in het kader van pijn self-efficacy, of de patiënt denkt dat de taak haalbaar is. Vervolgens evalueert men de tiltaak: klopten de anticiperende gedachten over pijn en beperkingen? In het algemeen leert de patiënt dat er meer mogelijk is dan hij dacht.
Bij exposure with control ligt er een extra accent. Men vraagt de patiënt beschermingsgedrag, zoals adem inhouden, verstijven of de rug “vastzetten” tijdens het tillen, achterwege te laten. Dit zijn veiligheidsgedragingen die de anticipatie van dreiging in stand kunnen houden.
Daarmee is niet gezegd dat de patiënt zomaar “door” zijn (overdreven) bescherming heen moet tillen. Wel kan een zekere mate van aandachtige controle of motorische sturing hier een plaats hebben: niet vanuit het idee dat de rug kwetsbaar is, maar als algemene vuistregel om met aandacht en lichaamsgevoel te tillen, zodat bijsturing mogelijk is. Dit is te vergelijken met een gewichtheffer die zeer geconcentreerd te werk gaat, zeker wanneer hij aan de grens van zijn belastbaarheid traint. Zie ook het eerdere artikel over mindfulness en fitness.
Leren door observeren van anderen
Leren door observeren van anderen betekent ter plekke zien hoe anderen met tilbewegingen omgaan. De fysiotherapeut kan bijvoorbeeld demonstreren dat iets optillen met een gebogen rug in potentie ongevaarlijk is. Ook kan men video’s laten zien van patiënten die tillen en hebben geleerd om (overmatige) bescherming los te laten.
Verbale overreding
Verbale overreding kan men plaatsen in de hoek van pijneducatie, waarbij duidelijk gemaakt wordt dat bewegen niet zozeer een vijand is, maar juist een belangrijk onderdeel van de oplossing bij aanhoudende pijn.
Psychofysiologische toestand
Ten aanzien van de psychofysiologische toestand kan men de patiënt laten ervaren dat tillen ook mogelijk is wanneer men moe is (wat in het hoofd van de patiënt mogelijk een voorspeller is voor meer pijn). Hetzelfde geldt wanneer iemand zich overmatig gespannen voelt en dit interpreteert als: “het gaat niet lukken”, maar de beweging toch uitvoert en een succeservaring opdoet. Een andere mogelijkheid is dat de patiënt ontspanning en doorademen toepast en de beweging relatief gracieus uitvoert.
Belangrijk hierbij is dat niet alleen de lichamelijke toestand zelf, maar vooral de interpretatie ervan de self-efficacy beïnvloedt. Vermoeidheid, verhoogde hartslag, spierspanning of een “waarschuwingsgevoel” in de rug kunnen door patiënten worden opgevat als tekenen van gevaar of als bewijs dat de taak boven hun kunnen ligt. In dat geval daalt de self-efficacy en neemt vermijdingsgedrag toe. De interventie is dan niet primair gericht op het verminderen van de negatieve sensaties, maar op het aanleren dat dergelijke signalen vaak normaal zijn bij inspanning, stress of onzekerheid, of bij de normale fluctuatie van de ‘vorm van de dag’, en dat ze niet automatisch betekenen dat de activiteit daardoor schadelijk zal zijn.
Praktisch betekent dit dat je bij (exposure)oefeningen expliciet aandacht kunt besteden aan vijf stappen:
- Herkennen en labelen: laat de patiënt kort benoemen wat hij merkt (spanning, ademhoogte, hartslag, vermoeidheid, pijnfluctuatie) en welke betekenis hij daaraan geeft in het kader van lukken/mislukken (‘dit betekent dat ik moet stoppen’).
- Herwaarderen (re-appraisal): help de patiënt alternatieve, plausibele interpretaties te formuleren (‘dit is spanning omdat ik het spannend vind en zegt niets over lukken of mislukken’, ‘vermoeidheid lijkt te zeggen dat ik niets kan, maar laat ik kijken wat werkelijk blijkt’). Dit kan kort en functioneel, zonder uitgebreide educatie op dat moment.
- Doen met regulatie en controle: laat de patiënt de taak uitvoeren met een concrete regulatiestrategie: rustig uitademen tijdens het tillen, tempo verlagen, aandacht naar contactpunten (voeten/handen), en eventueel micropauzes. Het doel is dat de patiënt ervaart: ‘Zelfs met deze sensaties kan ik de taak uitvoeren.’ Pas op dat een verstandig gedragsadvies (met aandacht tillen) niet geduid wordt als bewijs dat een rug een erg kwetsbare structuur is. In die zin kan juist tillen zonder aandacht, maar gewoon een gesprek voeren ook een mooie ervaring voor de patiënt zijn.
- Evaluatie: wat gebeurde er werkelijk, hoe viel het mee of tegen, en wat zegt dit over de eigen mogelijkheden? Juist deze nabespreking verankert de succeservaring. Ook kleine verschuivingen zijn relevant: ‘Ik voelde spanning, maar ik kon tóch doorbewegen’.
- Generaliseren: ten slotte kun je de psychofysiologische toestand ook benutten om de generaliseerbaarheid te vergroten: oefen niet alleen op goede dagen, maar ook eens op een dag met meer vermoeidheid, een drukke werkdag of verhoogde stress. Uiteraard binnen reële grenzen en passend bij het niveau van de patiënt. Daarmee leert de patiënt dat acceptabel of zelf goed functioneren niet afhankelijk is van perfecte innerlijke omstandigheden. Dit is een belangrijke bron voor duurzame self-efficacy.